Cursus op locatie
Online cursus
Thema's
Docent
Mijn cursussen

Van de ku(n)st en onze hoofdstad
James Ensor in Brussel

Als zijn tweede thuisstad, zo zou je Brussel voor Oostendse schilder James Ensor kunnen omschrijven. Hij liep er school, bouwde er relaties uit en gaf er zijn bekende schilderstijl vorm. Kunstenaar en kunsthistoricus Xavier Tricot leidt je door het leven en werk van de schilder aan de hand van Ensors brieven met Brusselse vrienden, portretten en kunstwerken.

Xavier Tricot

Xavier Tricot

Xavier Tricot (Oostende, 1955) is kunsthistoricus, Ensorkenner en multidisciplinair kunstenaar. De interpretatie van de werkelijkheid staat in zijn werk centraal. Op zijn vijfentwintigste legt hij zich volledig toe op verzamelen van het geschilderde werk van Oostendse kunstenaar James Ensor. In 2013 ontvangt hij de Cultuurprijs van de Stad Oostende voor zijn inzet rond het kunstbeleid in de kusstad.

Cursussen van deze docent

Lees het eerste hoofdstuk

James Ensor in de tijd


Ik ben geboren in Oostende op 13 april 1860 op een vrijdag, de dag van Venus. Bij mijn geboorte kwam Venus glimlachend naar mij toe en wij keken elkaar lang in de ogen. Zij geurde lekker naar de zilte zee.

Ensor en zijn vader, ca. 1865

Zo beschrijft de schilder James Ensor, op latere leeftijd, zijn geboorte in Oostende op 13 april 1860. Zijn vader en Engelsman, James Frederic Ensor, was de oudste zoon van James Rainford Ensor en Ann Andrew, welgestelde Engelsen uit Brighton die regelmatig op het continent verbleven. Op 17 oktober 1854 schreef hij zich in aan de medische faculteit van de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität in Bonn, maar die verliet hij aan het einde van het acade­miejaar. Hij keerde terug naar huis in Engeland, en werkte er als ingenieur van Bruggen en Wegen. Tijdens een vakantie met zijn ouders in Oostende leerde hij Marie Catherine Louise Haegheman kennen, met wie hij op 4 mei 1859 in Oostende in het huwelijk trad. Na de geboorte van James Ensor op 13 april 1860 vertrok James Frederic Ensor naar de Verenigde Staten in de hoop daar fortuin te maken. Hij moest evenwel al na enkele maanden terugkeren vanwege de vijandelijkheden die tot de Secessieoorlog zouden leiden. Op 29 augustus 1861 werd Maria Carolina Emma geboren, die de koosnaam Mitche zou krijgen. Het echtpaar opende in Oostende een schelpen- en souvenirwinkel, naar het voorbeeld van de ouders van Ensors moeder, Jean Louis Haegheman en Marie Antoinette Hauwaert. De familie Haegheman telde zes kinderen, waarvan er drie dezelfde roeping volgden. Behalve Maria Catharina Louisa, de moeder van de schilder, hield ook de oudste zoon Leopold (Oostende, 26 januari 1853) samen met zijn vrouw Isabella Paulina Dewinter een schelpen- en souvenirwinkel in Oostende, terwijl de andere dochter, Maria Ludovica (Oostende, 31 augustus 1839), bekend als ‘tante Mimi’, haar winkel in Blankenberge had.

Souvenitwinkel Haegheman-Dewinter

In een brief van 28 oktober 1899 aan de Belgische criticus Jules Du Jardin (1863–1940) vertelde Ensor over zijn ouders:

James Sidney Ensor, geboren in Oostende op 13 april 1860, zoon van James Frederic Ensor van Engelse nationaliteit, geboren in Brussel in 1835 en van Maria Haegheman uit Oostende. Ik heb een zuster die een jaar jonger is. Mijn vader trouwde in Oostende in 1859. Hij was een man die veel wist en verscheidene talen sprak. Bijzonder knap en buitengewoon sterkgebouwd. Hij had een edel voorhoofd en een aristocratisch voorkomen. Hij heeft mij altijd een soort vreeswekkende eerbied ingeboezemd. Hij was werkelijk een buitengewone man. Hij was van ontzettend veel dingen op de hoogte. Zijn muzikale bedrevenheid was buitengewoon. Hij had met succes aan de universiteiten van Heidelberg en Bonn gestudeerd. Hij was vertrouwd met de moeilijkste wetenschappelijke vraagstukken, de ingewikkeldste berekenin­gen waren voor hem kinderspel. De oude Oostendenaren spreken nog bewonderend en enthousiast over hem. Hij was een perfecte gentleman. Hij had grootse plannen, die echter het begripsvermogen van de doctrinaire burgers van die tijd te boven gingen, zij werden niet gewaardeerd maar tegengewerkt, zijn verheven plannen werden gedwarsboomd. Uiteindelijk, diep gekrenkt door de houding van de Oostendse bevolking die toentertijd vooral uit rijk geworden hoteliers, brouwers, reders en profiterende winkeliers bestond, die tegen elke vooruitgang en vernieuwing gekant waren, verkoos mijn vader zich totaal af te zonderen en zocht hij voortaan het gezelschap van eenvoudige lieden op. Hij stierf in 1886. Mijn moeder, dochter van Oostendse schelpenverkopers, zette de handel van haar ouders voort, en ik heb mijn kindertijd doorgebracht in de ouderlijke winkel, omringd door de wonderen van de zee, de prachtige paarlemoeren schelpen met duizend schakeringen van de regenboog en de bizarre skeletten van zeemonsters en waterplanten. Die omgeving vol kleurenpracht, de overvloed van weerkaatsingen en lichtstralen hebben er zeker toe bijgedragen van mij een schilder te maken die de kleur liefheeft en gevoelig is voor de schitterende spelingen van het licht.

Ensors gestorven vader

Bij het begin van de jaren 1930 schreef hij over zijn vader aan de auteur en criticus Paul Desmeth (1883–1970):

Mijn vader was eigenlijk een intellectueel. Hij was heel fijngevoelig, heel zacht, maar gedroeg zich tegenover sommige mensen een beetje uit de hoogte. Zijn zedelijk gedrag was onberispelijk. Zijn spierkracht was indrukwekkend. Hij was geschapen voor de actie, of minstens voor de sport. Hij was een voortreffelijk zwemmer. Ik herinner mij dat hij zich, toen wij eens samen op wandel waren, geheel gekleed in het water wierp en de geul tussen de twee staketsels overzwom. Maar hij hield ook van klassieke muziek, en hij tekende. Hij bleef zich ontheemd voelen in het kleine, nog helemaal door wallen omgeven stadje dat Oostende in die tijd was. Uiteindelijk vertrok hij naar de Verenigde Staten om er een betrekking te zoeken. Na enkele maanden maakte de Secessieoorlog een einde aan zijn verblijf. Ontmoedigd kwam hij naar Oostende terug en verzonk in lethargie.

Over zijn grootouders, en in het bijzonder zijn grootmoeder, haalde Ensor enkele herinneringen op in een brief van 4 augustus 1898 aan de schrijver en arts Louis Delattre (1870–1938), die een artikel voorbereidde voor een aan Ensor gewijd speciaal nummer van het Franse tijdschrift La Plume, uitgegeven eind 1898:

Ik kan u over mijn kinderjaren en mijn familie wel wat meer vertellen. Dit is een pittoresk detail. Mijn grootouders hadden in de Capucienenstraat in Oostende een winkel van schelpen, kant, zeldzame opgezette vissen, oude boeken, prenten, wapens, Chinees porselein… Een onoverzichtelijk mengelmoes van de meest uiteenlopende voorwerpen die altijd overhoopgehaald werd door enkele katten, luid krijsende papegaaien en een aap. Ik heb er vele uren doorgebracht in gezelschap van de aap en de papegaaien en de katten. Het rook er naar schimmel en naar de zurige pis van de aap die de schelpen onderzeikte, en de katten wandelden er tussen de kostbaarste kantwerkjes. Maar tijdens het badseizoen kwamen er vaak voorname buitenlanders over de vloer. Keizer Willem I, toentertijd nog prins van Pruisen, Leopold I, koning der Belgen, de hertog van Brabant, de graaf van Vlaanderen, de hertog van Osuna, hertogin Douglas Hamilton… en dat voorname publiek vermaakte zich met de grapjes van mijn grootmoeder. Mijn grootmoeder doste mij vaak uit in bizarre kostuums, net als haar aap die zij zorgvuldig aankleedde. Zij had hem wel honderd kunstjes geleerd, en nam hem mee op al haar wandelingen; het was een boosaardig beest, de schrik van de buren. Zij was verzot op verkleedpartijen. Ik zie haar nog bij mijn bedje staan op een carnavalsnacht, verkleed als behaagzieke boerin en met een afzichtelijk masker op. Ik was misschien 5 jaar, zij meer dan 60.

Moeder van Ensor, 1882

De familie Ensor bewoonde achtereenvolgens verschillende huizen in Oostende. Vele jaren later beschreef Ensor ze met talrijke details in zijn brief van 2 augustus 1928 aan de Vlaamse kunstcriticus en schrijver André de Ridder (1888–1961):

Ja, ik heb sinds 1860 in Oostende op verschillende adres­sen gewoond; het belangrijkste: een groot huis met een afgeschuinde hoek, op de oostelijke hoek van de Vlaan­derenstraat en de Van Iseghemlaan, daar had ik op de zolder mijn atelier met vijf ramen, het grootste zag pal op het zuiden uit. Er waren twee kleine dakraampjes op het zuiden en de twee andere op het zuidwesten. Die vier kleine raampjes bevonden zich op ongeveer twee meter boven de plankenvloer. Vanuit het grote venster, op borsthoogte, had je een uitzicht over een groot deel van de stad met daarachter, tussen de huizen door, hier en daar een stukje platteland, alles samen een schitterend panorama! […] Over mijn huidige atelier in het huis waar ik sinds 1917 woon, in de Vlaanderenstraat nr. 27, hoef ik het niet te hebben. U kent het voldoende. In 1876 woonde ik in de Langestraat nr. 66, nu is dat nr. 44 geworden. Ik gebruikte een achterkamer als atelier, van daar kon ik de zee zien. In die tijd heb ik marines en landschappen in de omgeving van Oostende geschilderd. Rond 1870 woonde ik in de Weststraat, die nu Adolphe Buylstraat heet, op de noordelijke hoek van de Christinastraat, en daar schilderde en componeerde ik al toen ik 13 was. Ik schilderde en tekende elke dag. In 1859 woonden mijn ouders in de Langestraat 44, nu nr. 26 (daar ben ik op 13 april 1860 geboren). Het was een heel schilderachtig huis, helaas is het sindsdien verbouwd, maar in 1860 was dat huis heel mooi en sympathiek. Er waren grote tuinen die uitkwamen op de oude stadswallen van Oostende en op de zoute grachten bij de zee.

Hoek van de Vlaanderenstraat en de Van Iseghemlaan, ca. 1925