Cursus op locatie
Online cursus
Thema's
Docent
Mijn cursussen

Een renaissance in de twaalfde eeuw?

Traditioneel gezien is de renaissance van de 15de en 16de eeuw de periode van de unieke wedergeboorte van de oudheid. Hoewel, uniek? De terugkeer naar vroeger lijkt helemaal geen exclusiviteit voor die periode. Ook in de twaalfde eeuw volgde de ene renaissance de andere op. Jozef Janssens leidt je aan de hand van tekst en beeld door een van de boeiendste periodes uit de geschiedenis.


Deze e-cursus bestaat uit een uitgebreide tekst, rijkelijk geïllustreerd met afbeeldingen.

Jozef Janssens

Jozef Janssens

Prof. Jozef Janssens, doctor in de Germaanse filologie, specialiseerde zich in de middeleeuwse cultuur. Hij was vicerector van de KU Brussel en doceerde en publiceerde over de middeleeuwse letterkunde en geschiedenis. Verschillende boeken verschenen bij Davidsfonds Uitgeverij.

Cursussen van deze docent

Lees het eerste hoofdstuk

Een renaissance in de twaalfde eeuw?


Beste cursist, beste cursiste,

Er bestaan honderden studies en documentaires over de twaalfde en dertiende eeuw. Waarom dan nog eens een nieuwe cursus over dat onderwerp? Daarvoor zijn nochtans verschillende argumenten te bedenken. Het blijft een uitzonderlijk belangrijke scharnierperiode in de Europese geschiedenis, waarbij onze streken sterker waren betrokken dan velen denken. Ikzelf ben geen zuivere historicus, maar een Leuvense Germanist (thans: Taal- en Letterkunde) die zich als mediëvist-literatuurhistoricus heeft gespecialiseerd in oudere teksten. Dat betekent dat ik niet zozeer ben geïnteresseerd in de talloze conflicten en militaire confrontaties in de twaalfde en dertiende eeuw, ook niet per se in de ontwikkeling van bestuurlijke instellingen of juridische problemen. Mijn uitgangspunten zijn de historische cultuur en de mentaliteitsgeschiedenis en dan zit je goed met literatuur of kunst als historische bron. Zo wordt mijn verhaal toch nog redelijk origineel, hoop ik.

Hoe komt trouwens een Germanist ertoe om zich met puur historische kwesties bezig te houden? Dat heeft in mijn geval alles te maken met het Arturonderzoek, dat me sinds mijn Leuvense licentiaatsthesis is blijven fascineren. In dat onderzoek zijn de ontwikkelingen in de periode van (grofweg) 1050 tot 1250 van primordiaal belang en leveren ze de context voor het functioneren van literatuur in die tijd. Oudere literatuur bestuderen los van zijn historische context is als een café bezoeken zonder bier of wijn. Dat werd me nog duidelijker toen ik in 2007 in Hasselt een tentoonstelling rond Hendrik van Veldeke, onze eerste Nederlandse dichter, mocht organiseren. Het oeuvre van Veldeke begint pas écht te leven tegen het achterdoek van de Maaslandse cultuur in de twaalfde eeuw.

Opening in het Hasseltse Stadsmus van de Veldeke-tentoonstelling “Peren op de beuken” in 2007

Deze cursus maakt deel uit van het online aanbod van de Academie van Davidsfonds. Academie verwijst naar “universiteit”; de vroegere benaming luidde inderdaad “Universiteit Vrije Tijd”. Achter de uit de middeleeuwen afkomstige naam "universiteit" gaan studies schuil met een heel eigen karakter. Vaak omschrijft men die studies als "abstract" en "theoretisch", "niet praktisch". Als men met die omschrijvingen bedoelt: "wereldvreemd", "niet relevant" en "niet nuttig" wil ik daar ten sterkste tegen reageren. Het betreft hier een diep misverstand, dat vermoedelijk ontstaan is doordat opleidingen aan de universiteit niet in eerste instantie beroepsopleidingen zijn: iemand die kiest voor Taal- en Letterkunde wordt niet alleen voorbereid op vertaalwerk of lesgeven, een student in de geschiedenis wordt niet enkel voorbereid op museum- of archiefwerk, een student in de rechten wordt niet noodzakelijk een advocaat. In de ogen van sommigen is dat een nadeel, maar met de onvoorspelbaar wisselende arbeidsmarkt voor ogen is dat toch vooral een groot voordeel. Mensen met een universiteitsdiploma komen in de meest diverse sectoren van de samenleving terecht.

Hoe komt het dat afgestudeerden van de universiteit zich vrij moeiteloos kunnen waarmaken in de meest uiteenlopende arbeidssectoren? Dat heeft mijns inziens alles te maken met de doelstellingen van de universiteit, die eerder dan een beroepsopleiding een nieuwe mentaliteit, een vorming van kritisch denken wil meegeven. Ik verklaar me nader.


Cursussen aan de universiteit zullen veelal een bepaald deel van de werkelijkheid onderzoeken, zullen die werkelijkheid vanuit verschillende hoeken proberen te benaderen, vanuit de analyse van de gegevens trachten te komen tot een probleemstelling en de suggestie van mogelijke oplossingen. Vanuit dat aanbieden van ‘geproblematiseerde leerstof’ wil men komen tot genuanceerd, kritisch, creatief denken. Vanuit het bewustzijn dat de ons omringende werkelijkheid bijzonder complex is (wat niet iedereen wil aanvaarden), leert men greep krijgen op die werkelijkheid, waarbij men tegelijk beoogt te laten inzien wat de voordelen, maar ook de beperkingen zijn van iedere benaderingswijze. Men wil op die manier loskomen van sloganmatige clichés en uitspraken op hun waarde leren controleren. Uiteindelijk moet die vorming naar de diepte een gezond relativiteitsbesef proberen bij te brengen, wat idealiter zou moeten leiden tot… grote nederigheid. Immers, dan begint men te beseffen dat het er maar van afhangt vanuit welk standpunt men uitspraken doet, wat tevens zou moeten leiden tot respect voor de mening van de andere, die wellicht vanuit een andere hoek naar dezelfde realiteit kijkt. De vorming aan de universiteit beoogt bijgevolg het bijbrengen van zoekgedrag: het komt erop aan je kennis kritisch te leren bevragen; denkprocessen op gang te brengen; fundamentele inzichten tot iets van jezelf te maken en te assimileren in je persoonlijkheid... Dat is een proces van persoonlijke ontplooiing, waarbij diepgang de voorrang moet krijgen op encyclopedische veelheid.

En als ik in deze cursus al eens durf uit te halen naar inzichten uit het aso is dat niet vanuit een hautaine betweterigheid: het kennisaanbod heeft er een didactische dimensie, wil ‘kapstokken’ aanbieden om er nieuwe informatie aan te hangen... en dat is op dat moment binnen de opleiding de beste manier van werken. Maar meestal is het niet zo simpel: ook de cultuurhistorische werkelijkheid is danig ingewikkeld en de universiteit heeft als taak om mensen daarvan bewust te maken.

De voorgestelde kritische ingesteldheid is een hoge waarde binnen de universitaire vorming. Om die te bereiken maakt men (intuïtief of expliciet) gebruik van de wetenschappelijke methode. Ook dat vergt enige uitleg.

Vooral rond dit punt bestaan er nogal wat misverstanden: vaak associeert men wetenschap en onderzoek met verstrooide geleerden, wereldvreemd gedrag, hopeloos tegenstrijdige meningen en een ivoren-toren-mentaliteit. Als je bij het horen alleen al van de woorden “wetenschappelijke methode” koude rillingen krijgt, haast ik mij om te zeggen dat die eigenlijk niets anders betekenen dan de weg die bewandeld moet worden om helder te leren denken. Om te denken heb je gegevens nodig, waaraan je interpretaties wil verbinden om via denkstappen te komen tot betrouwbare inzichten. Om tot de selectie van relevante gegevens te komen, moeten we ons onderzoeksobject eerst grondig waarnemen, de waargenomen elementen analyseren, ze beoordelen in hun context en toetsen op hun betrouwbaarheid ( fake newsof niet?). Daar komen nogal wat attitudes bij kijken: alertheid, concentratie, accuratesse, grondigheid, vergelijkingsvermogen en kritische zin. Het hoeft geen betoog dat dat eigenschappen zijn die ook buiten het wetenschappelijk circuit hogelijk op prijs worden gesteld.

Dit is evenwel nog maar het begin. Via verantwoorde denkstappen moeten we op grond van het vastgestelde trachten te komen tot valabele conclusies. Daarbij is enige creativiteit, maar evenzeer logisch denken vereist. Springen we niet verder dan onze stok lang is (onverantwoorde veralgemeningen)? Hebben we alle elementen aan bod laten komen? Daarop kan een synthese tot stand komen, die de vorm kan aannemen van het formuleren van een hypothese, die via verder onderzoek kan worden geaffirmeerd of gefalsifieerd. In een dergelijke hypothese is het van groot belang duidelijk te maken wat zeker is, wat waarschijnlijk is of wat vermoedens zijn. Dat nuancering hier op zijn plaats is, ligt eigenlijk voor de hand.

Hoe abstract dat alles ook moge klinken, ik wil toch vooral beklemtonen dat het bij wetenschap niet gaat om een vrijblijvende bezigheidstherapie of hobbyistisch bubbelgenoegen, maar om – ik aarzel niet om het dure woord te gebruiken – een fundamentele levenshouding. Uitspraken moeten voortdurend op hun uitgangspunten en hun geldigheid worden gecontroleerd, we moeten denkdiscipline en zoekgedrag durven manifesteren… Wetenschap heeft met de kwaliteit van ons weten te maken en bijgevolg met de kwaliteit van ons mens-zijn. Wat dan weer niet betekent dat we hierover een dikke nek moeten opzetten, want precies dàt is de ontkenning van deze levenshouding.

Deze visie heeft ook in het onderwijs en bij het opstellen van een cursus diepgaande gevolgen. Naarmate we de bovengenoemde mentaliteit trachten te realiseren, beseffen we ook dat we moeten leren leven met de voorlopigheid van kennis. Eén nieuwe vondst kan tot totaal nieuwe inzichten leiden… Daaruit volgt dat het aanbieden van enkel maar encyclopedische stofpakketten niet zo zinvol is. Daaruit volgt evenzeer dat zinvolle vragen leren stellen (of daartoe een aanzet geven) veel relevanter is dan het passief aframmelen van bepaalde passages uit een cursus die dan doorgaan als juiste antwoorden. Ik hoorde ooit eens een natuurkundige op topniveau een omschrijving geven van wetenschap: "Wetenschap is het formuleren van steeds betere vragen"...

Wanneer we grondig doordringen tot een complexe materie – en dat is de bedoeling – wordt het evenzeer duidelijk dat we menselijk gesproken niet àlle gegevens even gedetailleerd in ogenschouw kunnen nemen. Of dat we vinden dat sommige gegevens belangrijker zijn dan andere. Wanneer iemand anders dan àndere gegevens belangrijker vindt, of andere zaken in de discussie betrekt, komt hij normalerwijze tot een andere mening. Daar is niets verkeerd mee: dat is de noodzakelijke wetenschappelijke discussie, een dialoog die, wanneer hij open wordt gevoerd, de inzichten kan verscherpen en grenzen kan verleggen. Als wetenschapper moet men bijgevolg bereid zijn zich kwetsbaar op te stellen, moet men in staat zijn om kritiek te slikken... in het besef dat de wetenschap op die manier vooruitgaat.

Het volgende schema maakt een en ander duidelijk:

De zwarte punten betekenen de gegevens rond een bepaald probleem; de groene lijn is de selectie van onderzoeker A; de rode die van onderzoeker B, die tot een andere conclusie komt dan A. Maar stel u voor – wat regelmatig gebeurt – dat er een volslagen nieuw gegeven wordt ontdekt (een nieuw beeld, een onbekend handschrift, een nieuwe vondst… – hier weergegeven door een witte asterisk), dan krijgen zowel A als B het lastig en zal hun theorie ofwel van tafel worden geveegd, ofwel dienen te worden bijgesteld en genuanceerd.

Ik wens u bij het bestuderen van deze cursus veel nieuwe inzichten (Aha-Erlebnisse) toe, veel kritisch genoegen, kortom: zinnige ‘dachcortinghe’.

Jef Janssens